Voor notarissen en kandidaat-notarissen die worden geconfronteerd met onduidelijkheden bij onder meer de uitleg van een testament, de afwikkeling van een nalatenschap of andere familierechtelijke vraagstukken, kan art. 96 Rv een praktisch hulpmiddel zijn. Deze relatief onbekende procedure maakt het mogelijk voor partijen op een laagdrempelige manier zelf te bepalen aan welke Kantonrechter zij een zaak voorleggen en hoe de procedure wordt gevoerd. Het gaat hierbij om zaken die slechts rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van partijen staan. In deze blog wordt stilgestaan bij de toepassing van art. 96 Rv en enkele uitspraken uit de familie- en erfrechtpraktijk.
Achtergrond van art. 96 Rv
Art. 96 Rv maakt het mogelijk voor partijen zich tot een Kantonrechter van hun keuze te wenden en een beslissing van deze Kantonrechter in te roepen. Deze procedure wordt ook wel ‘omgekeerde prorogatie’ genoemd. Deze benaming wijst naar de reguliere prorogatie van art. 329 Rv, waarbij partijen afspreken de eerste aanleg over te slaan en hun geschil direct voor te leggen aan het Hof. Ingeval van art. 96 Rv gebeurt het tegenovergestelde; een geschil dat normaliter aan de Rechtbank zou worden voorgelegd, wordt aan de Kantonrechter voorgelegd. Dit is meestal een voordeel, omdat de procedure bij de Kantonrechter laagdrempelig is. Daarbij geldt bij de Kantonrechter geen verplichte procesvertegenwoordiging en zijn de griffierechten doorgaans lager dan in een reguliere civiele procedure.
De vereisten
Voor het succesvol gebruiken van art. 96 Rv, moet aan drie vereisten worden voldaan:
1. de rechtsgevolgen moeten ter vrije bepaling van partijen staan;
2. er moet sprake zijn van wederzijdse instemming;
3. er mag geen voorafgaande instemming zijn.
Ad 1
De wetgever heeft dit eerste vereiste niet nader uitgewerkt. Desondanks wordt aangenomen dat zaken betreffende een rechtsbetrekking waarbij de openbare orde in het geding is of zaken betreffende de staat van een persoon, geen rechtsgevolgen zijn die ter vrije bepaling van partijen staan (zie ook GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 96 Rv, aant. 2).
Ad 2
Partijen moeten zich in beginsel gezamenlijk tot de Kantonrechter wenden. Anders zou de Kantonrechter een afwijkend procesverloop kunnen bepalen, terwijl een van de partijen dat niet wil. Per 1 september 2017 is de laatste wetswijziging van art. 96 Rv in werking getreden, waarbij een tweede lid is ingevoerd. Aanleiding was dat in het verleden weinig gebruik van art. 96 Rv werd gemaakt (Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 84-85 (MvT)). Dit was volgens de gerechten te wijten aan het gezamenlijkheidsvereiste. Immers, het ligt voor de hand dat partijen die een geschil met elkaar hebben het niet snel eens zijn over de keuze voor een rechter. Daarom maakt lid 2 het nu ook voor één procespartij mogelijk om naar de Kantonrechter te stappen. De andere partij(en) ontvangt/ontvangen een uitnodiging van de Kantonrechter en moet(en) in antwoord daarop berichten dat wordt ingestemd met de procedure. Afwijking van de reguliere procesgang is niet mogelijk als tenminste één van de partijen dit niet wil. Dit kan uiteraard een drempel zijn als partijen elkaar niet meer kunnen luchten of zien (en dat is vaak wél het geval in ruzieboedel- en echtscheidingszaken).
Ad 3
Het derde vereiste houdt in dat partijen niet op voorhand contractueel kunnen vastleggen dat eventuele geschillen via de procedure van art. 96 Rv aan de Kantonrechter worden voorgelegd. De keuze voor deze procedure moet juist worden gemaakt op het moment dat het geschil zich daadwerkelijk voordoet. Partijen dienen dan bewust en gezamenlijk in te stemmen met de toepassing van art. 96 Rv, zodat zij op dat moment een weloverwogen afweging kunnen maken over de wijze van geschilbeslechting. Een vooraf in algemene voorwaarden of een overeenkomst opgenomen afspraak bindt partijen in dit verband dus niet. Zo ging het in een uitspraak van Rechtbank Overijssel (10 april 2013, ECLI:NL:RBOVE:2012:CA0213) over een samenlevingsovereenkomst waarin was opgenomen dat alle geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de overeenkomst zouden worden beslist door de Kantonrechter in eerste en hoogste instantie. De Rechtbank (team kanton en handelsrecht) oordeelt dat een dergelijke afspraak in strijd is met de wettelijk verankerde regeling van de competentie van de verschillende (gewone) rechters. De afspraak tussen partijen werd daarmee door de Rechtbank in strijd met de wet geacht en nietig verklaard. Samenhangend met dit vereiste is het nog relevant om te benoemen dat het vragen van een juridische opinie via art. 96 niet mogelijk is Rechtbank Noord-Holland (31 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3119).
Hoe werkt een procedure ex art. 96 Rv in de praktijk?
Geen voorschrift
De wet schrijft niet voor hoe een procedure ingevolge art. 96 Rv aanhangig moet worden gemaakt. Partijen zijn daar vrij in. Aangenomen wordt dat een gezamenlijke brief aan de gekozen Kantonrechter volstaat. Verder ziet men in de praktijk dat de procedure doorgaans aanhangig wordt gemaakt door middel van een verzoekschrift (zie ook Tijdschrift Huurrecht in Praktijk, 8/2020).
Afspraken over procesvoering op voorhand
Uit de laatste zin van art. 96 lid 1 Rv volgt voorts dat het geding wordt gevoerd op de wijze als door de Kantonrechter bepaald. In dat geval verloopt de procedure veelal zoals in een reguliere kantonzaak. Hierbij wordt aanbevolen dat partijen op voorhand de procesvoering bespreken; het gaat dan om het afspreken of uitsluiten van een aantal schriftelijke ronden en termijnen die voor partijen gelden.
Hoger beroep mogelijk (?)
Volgens art. 333 Rv staat hoger beroep open in zaken als art. 96 Rv, maar alleen als partijen zich dat beroep binnen de grenzen van art. 332 Rv hebben voorbehouden. Partijen kunnen dus afspreken dat hoger beroep wél openstaat. Daarbij kunnen ze ook afspraken maken over de geldende appeltermijn, voor zover de wet geen dwingende termijnen stelt. Deze afspraak moeten partijen uitdrukkelijk en eensluidend hebben gemaakt. Een voorbehoud kan niet worden aangenomen op grond van een stilzwijgend beding (HR 8 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7367).
Huidige rechtspraak met art. 96 Rv in erfrechtkwesties
Dan nu naar de praktijk. Hierna komen uitspraken aan bod die wellicht relevant kunnen zijn en waar een notaris(kantoor) zijn of haar inspiratie uit kan halen, om art. 96 Rv te gebruiken als hulpmiddel.
Uitleg over testamenten
1. Is broerlief erfgenaam? (Rb Noord-Holland 19 oktober 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8355)
Erflaatster had haar broer tot enig erfgenaam benoemd, mits zij bij haar overlijden nog een gemeenschappelijke huishouding voerden of de intentie daartoe hadden. Nadat erflaatster in een verpleeghuis werd opgenomen, ontstond twijfel of aan deze voorwaarde was voldaan. Omdat de notaris het testament onvoldoende duidelijk vond voor afgifte van een verklaring van erfrecht, verzochten de erfgenamen de Kantonrechter op grond van art. 96 Rv en art. 4:46 BW om uitleg van het testament. De Kantonrechter oordeelde dat de duurzame verbondenheid tussen erflaatster en haar broer was blijven bestaan en verklaarde dat de broer op grond van het testament enig erfgenaam is.
2. Is de huurder legataris? (Rb Limburg, 24 oktober 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:10510)
In deze zaak ontstond een geschil over de uitleg van een legaat in het testament van erflaatster, ten gunste van huurders van erflaatster. Kort vóór haar overlijden had een huurder een huurovereenkomst gesloten voor een van haar woningen, maar de huur was nog niet ingegaan en de woning was nog niet betrokken. De huurder stelde dat hij als legataris moest worden aangemerkt, terwijl de executeur dit betwistte. Partijen legden de kwestie gezamenlijk voor aan de Kantonrechter op grond van art. 96 Rv. De Kantonrechter oordeelde dat de huurder geen legataris was, omdat hij ten tijde van het overlijden nog geen huurder in de zin van het testament was en nog niet in de woning woonde.
3. Is de ‘zoon’ erfgenaam van de ‘duomoeder’? (14 oktober 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:13247)
Erflaatster had primair haar partner tot enig erfgenaam benoemd, mits erflaatster zonder afstammelingen zou overlijden. Kort voor haar overlijden erkende zij alsnog haar zoon, die tijdens een eerdere relatie was geboren en die zij destijds als duomoeder nog niet kon erkennen. Volgens de notaris sorteerde daardoor niet langer de primaire, maar de subsidiaire erfstelling effect (op grond waarvan de partner geen erfgenaam was). De betrokkenen legden de kwestie gezamenlijk op grond van art. 96 Rv voor aan de Kantonrechter en verzochten om uitleg van het testament ex art. 4:46 BW. De Kantonrechter oordeelde dat de erkenning van de zoon een latere ontwikkeling was, waarmee erflaatster bij het opstellen van haar testament geen rekening had gehouden en dat uit de omstandigheden en verklaringen van betrokkenen bleek dat zij haar partner als enig erfgenaam had willen achterlaten. Het testament werd daarom zo uitgelegd dat de partner toch enig erfgenaam was.
Geschil over afwikkeling van echtscheiding (ECLI:NL:RBGEL:2023:736, 15 februari 2023)
In deze zaak waren voormalige echtgenoten na hun echtscheiding het nog op enkele punten oneens over de afwikkeling van hun gemaakte afspraken. Hoewel zij het grootste deel van hun vermogensrechtelijke geschillen onderling hadden opgelost, ontstond er discussie over verschillende zaken. Om hierover snel duidelijkheid te krijgen, legden zij hun geschil gezamenlijk aan de Kantonrechter voor via art. 96 Rv. Uiteindelijk wijzigt de Kantonrechter de afspraken die de (ex)-echtgenoten hebben gemaakt in de echtscheidingsbeschikking en vult deze aan.
Conclusie: op naar de Kantonrechter!?
In de praktijk wordt van art. 96 Rv binnen het notariaat (nog) relatief weinig gebruikgemaakt. Dat komt met name door onbekendheid met de regeling. Art. 96 Rv kan voor notarissen een bruikbaar instrument zijn om gezamenlijk met partijen snel(ler) duidelijkheid te krijgen over de uitleg van een testament of andere notariële akte. Juist in dossiers waarin een notaris/kandidaat-notaris voor de verdere afwikkeling behoefte heeft aan een bindende uitleg van een akte, om bijvoorbeeld een verklaring van erfrecht af te geven, kan art. 96 Rv een efficiënt alternatief vormen voor een reguliere civiele procedure. Op naar de Kantonrechter!?

